Planschade: planvergelijking en overgangsrecht; waardering en WOZ-waarde

In haar (tussen)uitspraak van 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:793, oordeelt de Afdeling over de betekenis van de overgangsbepalingen bij de planvergelijking. De aanvrager had verzocht om een tegemoetkoming in planschade in de vorm van waardevermindering van zijn percelen. De gemeente vond dat deze schade werd beperkt door het feit dat het bestaande agrarische gebruik op grond van het overgangsrecht van het nieuwe bestemmingsplan mag worden voortgezet. Bij inkomensschade kan dit inderdaad het geval zijn, aangezien dan voortgezet gebruik op basis van het overgangsrecht een deel van de schade weg kan nemen omdat nog gedurende een bepaalde tijd inkomsten kunnen worden gegenereerd op basis van het bestaande gebruik. Schade in de vorm van waardevermindering van een onroerende zaak kan naar zijn aard niet worden voorkomen door voortzetting van het gebruik van de onroerende zaak onder het overgangsrecht.  

Het overgangsrecht bij een bestemmingsplan heeft betrekking op een bestaande situatie die afwijkt van de in het plan opgenomen bestemmingsregeling voor de desbetreffende gronden. De omstandigheid dat deze bestaande situatie niet past binnen deze bestemmingsregeling, betekent dat beoogd wordt om aan deze situatie een einde te maken binnen de planperiode. De overgangsbepalingen bij een bestemmingsplan zijn daarmee van een andere orde dan de planregels over de toegekende bestemmingen. Om deze reden hanteert de Afdeling als hoofdregel dat de mogelijkheden op grond van de overgangsbepalingen bij een bestemmingsplan bij een planologische vergelijking buiten beschouwing gelaten moeten worden. Dat geldt ongeacht of verzocht wordt om een tegemoetkoming in indirecte of directe planschade. De omstandigheid dat de bestaande activiteiten van een aanvrager worden beschermd op grond van het overgangsrecht van het bestemmingsplan, maakt niet dat de overgangsbepalingen in dat geval gelijk moeten worden geacht aan de planregels over de toegekende bestemmingen. Beoogd is immers om het agrarische gebruik binnen afzienbare tijd te beëindigen.

In de uitspraak van 18 maart had de Afdeling de gemeente Zuidplas opgedragen opdragen om alsnog toereikend te motiveren waarom de door de verzoeker overgelegde gegevens met betrekking tot de WOZ-waarde haar geen aanleiding geven om aan de juistheid van het nadere advies van SAOZ te twijfelen, dan wel een gewijzigd besluit te nemen. De Afdeling heeft vastgesteld dat het verschil tussen de door verzoeker overgelegde WOZ-waarde en de door SAOZ gehanteerde waarde van de gronden 33% is en daarmee is aan te merken als een aanzienlijk verschil. Het is vaste rechtspraak dat van het bestuursorgaan kan worden verlangd dat het zijn besluit van een nadere motivering voorziet in geval een aanzienlijk verschil tussen de WOZ-waarde en de taxatie in het kader van planschade bestaat. Op 15 juli 2020 volgt een nadere uitspraak van de Afdeling:

De in de tussenuitspraak opgenomen hersteltermijn eindigde op 11 juni 2020 en was ongebruikt verstreken. Het college heeft niet om verlenging van deze termijn gevraagd. Daarom is niet voldaan aan de door de Afdeling in de tussenuitspraak gegeven opdracht. Het geconstateerde gebrek in het besluit van 23 juli 2019 is niet hersteld. De Afdeling draagt het college dan ook op een nieuw besluit te nemen.