Eerste uitspraak over onteigeningsbeschikking nieuwe stijl onder Omgevingswet
Op 20 mei 2025, heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, bijna anderhalf jaar na inwerkingtreding van de Omgevingswet, uitspraak gedaan over een onteigeningsbeschikking.
Klik hier voor de uitspraak
Hoe ging het ‘vroeger’ onder de Onteigeningswet
Met ingang van 1 januari 2024 is de Onteigeningswet opgegaan in de Omgevingswet. Met inwerkingtreding van de Omgevingswet is het systeem van onteigening op de schop gegaan. Onder de Onteigeningswet bestond de onteigeningsprocedure uit twee fasen: de administratieve fase en de gerechtelijke fase.
In de administratieve fase besloot de Kroon in een Koninklijk Besluit om bepaalde onroerende zaken ter onteigening aan te wijzen. Met dit Koninklijk Besluit in de hand, kon de onteigenaar in de tweede fase bij de civiele rechter de daadwerkelijke onteigening vorderen van de betreffende gronden en kon de civiele rechter – indien aan de orde – het Koninklijk Besluit (marginaal) toetsen.
Onder de Omgevingswet is alles anders. In de wet is de besluitvorming omtrent onteigening met de daarbij behorende rechtsbescherming geheel in de bestuursrechtelijke kolom opgenomen. Het bestuursorgaan dat wil onteigenen, dient zelf een onteigeningsbeschikking te nemen. Die beschikking wordt getoetst door de bestuursechter. Om te voorkomen dat zo’n onteigeningsbeschikking onherroepelijk wordt als daartegen geen beroep wordt ingesteld en dus zonder dat er een rechter aan te pas is gekomen, is de zogenaamde bekrachtigingsprocedure ingevoerd.
Hoe is het nu in de Omgevingswet geregeld
De bekrachtigingsprocedure is uniek in het bestuursrecht en houdt in dat een onteigeningsbeschikking door het bestuursorgaan dat de beschikking heeft genomen, sowieso ter bekrachtiging moet worden voorgelegd aan de bestuursrechter. Dus ongeacht of de eigenaar beroep tegen de beschikking instelt. De bestuursrechter moet dan de onteigeningsbeschikking onderwerpen aan een zogenaamde basistoets. Hij moet toetsen of de voorbereiding volgens de wettelijke vormvoorschriften is geschied. Verder moet de bestuursrechter beoordelen of wordt voldaan aan de in de wet opgenomen eisen, namelijk dat er een onteigeningsbelang moet zijn, en dat de onteigening noodzakelijk en urgent is.
Er is in de (juridische) literatuur veel geschreven over de vraag wat die basistoets inhoudt. Uit de wetsgeschiedenis blijkt voorts dat de toetsing een zogenaamde ex-nunc toetsing moet zijn, anders dan gebruikelijk is in het bestuursrecht. De beschikking dient te worden beoordeeld naar het moment van de bekrachtiging en niet naar het moment waarop deze is genomen. Verder is er veel onduidelijkheid en discussie geweest over de vraag hoe diepgaand de bestuursrechter zo’n onteigeningsbeschikking moet toetsen. Waar in het bestuursrecht beschikkingen doorgaans marginaal worden getoetst, is het de bedoeling van de wetgever dat de onteigeningscriteria criteria vol worden getoetst, zo blijkt uit de Memorie van toelichting.
De uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant is een eerste proeve van hoe de bestuursrechter met deze opdracht om gaat. De rechtbank doet dat zeer uitgebreid, zich wellicht zeer bewust van het feit dat dit de eerste uitspraak in dit segment is. De uitspraak is uitgebreid gemotiveerd en de rechtbank citeert daarbij ook veelvuldig uit de parlementaire geschiedenis.
Welke zaken vallen op?
Ten eerste de wettelijke vormvoorschriften. Uit de uitspraak blijkt dat de ontwerp-onteigeningsbeschikking met de daarop betrekking hebbende stukken, niet compleet ter inzage was gelegd. Het logboek van de onderhandelingen tussen partijen ontbrak. Dit gebrek werd echter heel bestuursrechtelijk gepasseerd, met toepassing van artikel 6:22 Awb, omdat de raad het logboek in de bekrachtigingsprocedure alsnog had verstrekt. Daarmee waren de belangen van de belanghebbende niet geschaad. De rechtbank achtte daarbij ook van belang dat de belanghebbende het ontbreken van het logboek pas in de bekrachtigingsprocedure aan de orde had gesteld.
Ten tweede bevat de uitspraak een voorbeeld van hoe de ex nunc toetsing kan uitpakken. Het gaat om de onteigening van twee percelen. Ten aanzien van een van de percelen (in de uitspraak aangeduid als perceel 2) oordeelt de rechtbank dat is gebleken dat er (inmiddels) overeenstemming is bereikt met de eigenaren van dit perceel over minnelijke verwerving. Daarom acht de rechtbank de noodzaak tot onteigening niet aanwezig. Zij stelt dat zij daarom verplicht is het verzoek tot onteigening af te wijzen.
Ten aanzien van het andere perceel is de toetsing best indringend. De rechtbank gaat vrij uitgebreid in op de gevoerde minnelijke onderhandelingen, waarbij de gedane biedingen uitgebreid worden besproken. Uiteindelijk vindt de rechtbank de laatste bieding niet onredelijk en oordeelt op basis daarvan dat de gemeente een redelijke poging heeft gedaan om het perceel in der minne te verwerven.
De rechtbank doet ook meteen uitspraak over de kosten die belanghebbende heeft gemaakt om zich te verzetten tegen de onteigening. Dat is nieuw en mogelijk op grond van artikel 16.111 Omgevingswet.
Onder de oude Onteigeningswet bestond die mogelijkheid niet, en werd pas een oordeel geveld over de kosten aan het eind van de rit, namelijk bij het vaststellen van de schadeloosstelling.
11-08-2025 Monique Rus